Heibloem (vervolg)

Heibloem

Heibloem tot 1850

Er zijn mensen die denken dat Heibloem eigenlijk geen geschiedenis van enige betekenis heeft. Heibloem, dat is toch dat dorp met een kerkje uit de jaren vijftig van de vorige eeuw en nog een stuk of zes straten. Wat moet je daar over vertellen? Wie zou daar iets over willen vertellen?

Het ligt toch een beetje anders. Toen de Romeinen nog niet eens wisten waar ze Maastricht op de kaart konden vinden, bewoonden mensen al eeuwen dit gebied. Heibloem heeft wel degelijk een geschiedenis die de moeite waard is. In ons gebied zijn prehistorische vondsten gedaan van een kleine tienduizend jaar oud. Nu zeggen we dat de bevolking in de steentijd leefde omdat de gereedschappen die ze gebruikte van steen waren. Het is best mogelijk dat er ook nog veel eerder Neanderthalers in Heibloem geleefd hebben, maar daar is tot op heden geen bewijs van gevonden. Het eerste stukje Neanderthaler in Nederland is pas in juni 2009 voor de kust van Zeeland gevonden en dat was toen veertigduizend jaar oud. Wie dus hier een bijzonder stukje bot vindt hoeft dat ook niet meteen weg te gooien. Je weet maar nooit.

Vlakbij Heibloem vinden we site (vindplaats) “de Fransman” waar duizenden gebruiksvoorwerpen uit de steentijd gevonden zijn. De makers van deze voorwerpen leefden van de jacht op dieren die permanent in dit gebied leefden zoals herten, elanden, beren en vossen. Ze konden vuur maken.

Een paar duizend jaar voor Christus vindt een enorme omslag plaats. Dit gebied wordt niet meer bewoond door jagers, maar door boeren. Die omslag zal vast niet van de ene dag op de andere gebeurd zijn. Hoe dan ook, het resultaat van het proces is dat mensen op een vaste plek blijven en in een boerderij wonen, graan verbouwen, vee houden. Nieuwe technieken brachten nieuwe mogelijkheden. Eerst werd brons geïntroduceerd, later ijzer. In de buurt van Heibloem zijn urnen met crematieresten uit de ijzertijd gevonden.

Na de prehistorie lijkt het rustig te worden in onze omgeving. Zolang we niet beter weten moeten we het er op houden dat hier geen of weinig mensen woonden. Heibloem lag aan de rand van de Peel en in 1773 werd de streek in een atlas omschreven als “een moerassige streek lands daar nauwelijks een mensch over kan gaan”

Rond 1800 waren er ongeveer tien boerderijen gelegen bij Schaapsbrug, Karreveld en Heytserheide. Die boerengezinnen hadden een stuk grond ontgonnen en teelden graan, veevoer, groenten en fruit. Ze voorzagen zo veel mogelijk zelf in hun behoeften aan voeding en kleding. Voor voorzieningen als een dokter en een school of de kerk gingen ze naar Roggel, Heythuysen of Meijel.

 

Klooster de Heibloem

Dat in de negentiende eeuw bij Heibloem twee kloosters gesticht werden is eigenlijk puur toeval. In Amsterdam is in 1851 de congregatie van Onze Lieve Vrouw Van Zeven Smarten gesticht. Die verwijzing naar de zeven smarten van Maria heeft geen relatie met de sociale doelstelling van de congregatie. Het is de bedoeling van de oprichters, pastoor Hesseveld en pater Frentrop, dat de broeders van de congregatie zich bezig gaan houden met de opvang van en zorg voor verwaarloosde jongens uit Amsterdam. De bevolking van Amsterdam groeide in de negentiende eeuw enorm, van ongeveer honderdtachtigduizend mensen in 1810 naar ruim vijfhonderdduizend mensen in 1900. De beginnende industrialisatie zorgde weliswaar voor werk, maar desondanks waren voor veel mensen de huisvesting en de sociaaleconomische omstandigheden vreselijk.

Pater Frentrop komt op het idee om een landbouwkolonie op te richten om zo de Amsterdamse jongens zinvol werk en onderwijs te bieden. Namens de Heerenvereeniging tot Weldadigheid kocht  hij hier in 1852 voor nog geen 35.000 gulden een landgoed van 280 hectaren op het grondgebied van de gemeente Heythuysen, waarop een boerderijtje stond dat de Heyblom heette.

In de tientallen jaren na de komst van de broeders en de jongens naar het landgoed werden een klooster, een kapel, een school en een boerderij gebouwd. De aangekochte gronden maakte men geschikt  voor de landbouw. De inrichting kreeg de naam Aloysiusgesticht.

De geschiedenis van het internaat Heibloem is geschreven door de broeders. We weten niet hoe de voornamelijk Amsterdamse jongens het ervaren hebben om in deze omgeving op te groeien. En als het de bedoeling was de jongens de kans op een zelfstandig en beter bestaan te bieden dan zou het achteraf de moeite waard zijn om te weten of die jongens ook zelf vonden dat ze in Heibloem beter af waren dan thuis.

Aanvankelijk kregen de jongens alleen basisonderwijs. Verder stelde men ze op het land te werk zodat ze later niet zo veel mogelijkheden op de arbeidsmarkt hadden. Ze konden boerenknecht worden of als ongeschoold arbeider werk zoeken in een fabriek. Aan het einde van de negentiende eeuw werd het onderwijs in het internaat enigszins verbeterd. De jongens kregen de mogelijkheid een ambacht te leren. Ze konden bijvoorbeeld kleermaker, schoenmaker of bakker worden. De mogelijkheid om voortgezet of hoger onderwijs te volgen werd niet geboden. Pas in 1919 erkende de overheid de Heibloem officieel als ambachtsschool en ontving het gesticht ook rijkssubsidie. Loonarbeiders met machines verrichtten in toenemende mate het werk op het land.

 

Stokershorst

In 1893 kon de Congregatie van Onze Lieve Vrouw van Zeven Smarten een flink stuk grond bij Stokershorst kopen, op het grondgebied van de gemeente Nederweert. Men besluit er een instelling voor jongeren te vestigen die door de rechter veroordeeld zijn tot verblijf in zo’n heropvoedingsgesticht. Voor de congregatie leverde dat inkomsten op. Het rijk betaalde 125 gulden per persoon per jaar. Dat Stokershorst een erg afgelegen plaats was vond men in die tijd gunstig. Ver weg van de bewoonde wereld en dus van eventueel verkeerde invloeden zouden ontspoorde jongeren weer op het rechte pad moeten komen. Eigenlijk werden kinderen, vaak niet ouder dan tien of twaalf jaar, gestraft voor het feit dat ze de pech hadden gehad in minder bevoorrechte omstandigheden op te groeien. Dat kinderen er onder leden dat ze van hun ouders en familie gescheiden werden en niet in een gewone gezinssituatie konden opgroeien besefte bijna niemand.

Na een paar jaar hard werken werd op 19 maart 1900 het St. Vincentiushuis – Stokershorst is de oude naam van het gebied, maar ook de instelling wordt wel Stokershorst genoemd- ingezegend en officieel geopend. Voor de broodnodige verbinding met de buitenwereld kwam er een veerpont over de Noordervaart. De jonge veroordeelden die er kwamen kregen lager onderwijs of vakonderwijs aangeboden.

In de decennia na 1900 werd Stokershorst uitgebreid. In 1905 werd een nieuwe, grote kapel gebouwd en in 1909 een nieuwe lagere school met drie leslokalen. Er kwam een voor die tijd moderne badinrichting. In 1919 had men elektrisch licht. Evenals op de Heibloem was zelfvoorziening een belangrijke manier om aan voedsel en andere benodigdheden te komen. De broeders en jongens hielden zich bezig met bosbouw, tuinbouw en veeteelt en op de ambachtsschool konden de leerlingen tegelijk een vak leren en produceren wat de instelling nodig had.

Na de Eerste Wereldoorlog verrichtten voornamelijk knechten van buiten het werk op het land. De instelling werd op den duur niet meer bevolkt door jongeren die door de rechter veroordeeld waren. Het werd een gewoon internaat. Ook jongens uit de omgeving konden de vakopleidingen volgen. In 2008 heeft Cyriel le Coq een boek gepubliceerd waarin hij  schrijft over zijn verblijf op Stokershorst in 1944. Het boek heeft de titel “Zand erover”. Cyriel moest waarschijnlijk in de oorlog naar het klooster omdat zijn vader niet verhulde dat hij geen sympathie voor de NSB had. Een Duitsgezinde politieman nam wraak op de vader door er voor te zorgen dat zijn kinderen uit huis werden geplaatst. Cyriel beschrijft in zijn boek dat sommige broeders de jongens in het Aloysiusgesticht mishandelden. Het pedagogische klimaat was in zijn ogen hard en liefdeloos. Aan de andere kant boden de broeders de jongens ook bescherming in de onoverzichtelijke oorlogstijd.

 

De Tweede Wereldoorlog

In de Tweede Wereldoorlog veranderde er de eerste jaren niet zo veel op de Heibloem en op Stokershorst. Op de Heibloem ging het echter op 1 augustus 1942 mis. Een Britse soldaat, die met zijn toestel was neergestort, zocht hulp. De man was zowel door de jongens en de onderwijzers gesignaleerd en de broeders voelden zich in het nauw gedreven. Dat nieuws zou verder verteld worden en er waren jongens met nationaalsocialistische sympathieën. De broeders besloten de rijkspolitie te bellen. Die gaf de veldwachter van Heythuysen de opdracht de piloot op te halen en waarschuwde de Duitse instanties. De piloot was inmiddels achterdochtig geworden en had kans gezien te vluchten. Na dit incident ontruimden de Duitsers de Heibloem en vestigden er een opleiding voor vrachtwagenchauffeurs bij de Wehrmacht. Nadat Heibloem in november 1944 bevrijd was gebruikten Britse soldaten het internaat enige tijd als onderkomen. Ook Nederlandse militairen zijn er in de zomer van 1945 enige tijd opgevangen. In de tweede helft van 1945 konden de broeders een onttakeld gebouw gaan herstellen.

Op het eenzaam gelegen Stokershorst had men verwacht de oorlog wel uit te kunnen zingen, maar de ligging aan de Noordervaart bleek aan het einde van de oorlog een groot nadeel. In september 1944 eiste een aantal Duitsers inkwartiering en eind september kwamen de gebouwen midden in de vuurlinie te liggen. De Engelsen beschoten de panden met honderden granaten. De bewoners zochten ergens anders onderdak.

 

 

Het rectoraat Heibloem

De mensen die voor de Tweede Wereldoorlog in de omgeving van het huidige Heibloem woonden behoorden bestuurlijk tot de gemeenten Roggel, Heythuysen, Nederweert of Meijel. Na de oorlog was er behoefte aan de vorming van een zelfstandig rectoraat. Op 1 maart 1947 werd dat dan opgericht met als patroonheilige St. Isidorus. Pater van Don, die aanvankelijk als priester werkzaam was in het Aloysiusinternaat en Stokershorst,  heeft zich ingezet voor de stichting van het rectoraat Heibloem. Op 31 juli 1948 stelde het bisdom Roermond de grenzen van het rectoraat van de heilige Isidorus te Heibloem en Stokershorst definitief vast. Pater van Don zette zich samen met het kerkbestuur en de inwoners van het rectoraat in voor de bouw van een kerkhof, een kerk en een school. Op allerlei manieren werd geld ingezameld. De gemeente Heythuysen en de provincie Limburg subsidieerden de bouw van de kerk. Dat is niet zo vreemd als het lijkt. De scheiding van kerk en staat in Nederland houdt in dat er in de verhouding tussen kerk en staat geen institutionele zeggenschap over en weer mag zijn. De overheid richt de staat zonder zeggenschap van de kerken in. De kerken zijn vrij van overheidsinmenging bij de vormgeving van hun kerkelijke organisatie en in de aanstelling van hun functionarissen. Of het beginsel van de scheiding van kerk en staat het mogelijk maakt dat de overheid kerken subsidieert, daarover verschillen de meningen tot op de dag van vandaag. Grondwettelijk is er niets over vastgelegd. 

 

In 1955 moest pastoor van Don wegens ziekte zijn taak beëindigen. Hij overleed in 1956 op 49 jarige leeftijd. Hij was een ambitieus man die in acht jaar tijd een stempel drukte op de kern van Heibloem. Natuurlijk speelden daarbij zijn persoonlijke en kerkelijke belangen een rol. In de jaren vijftig en zestig was de bevolking van Heibloem actief bij de katholieke kerk betrokken. In de jaren zeventig liep het kerkbezoek terug. Een landelijk beeld van ontkerkelijking was dus ook hier zichtbaar. Men besloot dat het niet nodig was om de kerk van Heibloem nog uit te breiden met zijbeuken, iets dat pater van Don graag gewild had. De kerk werd wel afgebouwd. Er kwam een sacristie, een toren met een klok en een wijziging van het priesterkoor. De houten klokkenstoel die naast de kerk stond werd afgebroken. In 1965 werd het oude kerkhof naast de kerk vervangen door een nieuw ingericht kerkhof aan de buitenrand van het dorp.

 

De groei van Heibloem

Op de plaats van de huidige kern van Heibloem stonden tot na de Tweede Wereldoorlog geen woningen. Tijdens de oorlog lag er in de huidige vierhoek Pater van Donstraat, Haffmansstraat, Bosstraat en Isidoorstraat een barakkenkamp van de Arbeidsdienst. De eerste naoorlogse huizen zijn in die vierhoek gebouwd. Ruim vijftig jaar is Heibloem geleidelijk aan gegroeid, met de Delshorst als laatste uitbreiding. De bevolking van Limburg is echter nu aan het krimpen en ook Heibloem zal waarschijnlijk met een dalend bevolkingsaantal te maken krijgen.

 

 

De Heibloem en Stokershorst na de tweede wereldoorlog

Toen de oorlogsschade zo goed mogelijk hersteld was hervatte men op de Heibloem de situatie van voor de oorlog. Er was weer een klooster met een internaat en van de lagere school en de ambachtsschool konden ook nu weer jongens uit de omgeving gebruik maken.

In 1949 werd de lagere school van het gesticht overgenomen door het kerk/schoolbestuur van de nieuwe school in de kern van Heibloem. Enkele jaren later bleek de exploitatie van het internaat zo verliesgevend te zijn dat de congregatie besloot het te sluiten. De ambachtsschool bleef nog enkele jaren bestaan. In 1955 begon de congregatie een nieuw initiatief dat de Widdonck zou gaan heten. Het betrof een internaat voor kinderen die  volwassenen moeilijk opvoedbaar vonden. Men sloopte de oude kloostergebouwen en bouwde nieuwe paviljoens. De jongeren van het internaat gingen naar scholen in de omgeving of ze bezochten de bij de instelling liggende school voor speciaal onderwijs.

In 1963 waren er op de Widdonck nog 18 broeders werkzaam, maar dat aantal nam af. Inmiddels zijn de laatste broeders naar Voorhout verhuisd.

 

Stokershorst was door de oorlogshandelingen zo zwaar beschadigd dat het financieel niet haalbaar was om de schade te herstellen. De jongens die er gewoond hadden bracht men onder in een klooster van de congregatie in Harreveld. Rond 1950 sloopte men het grootste gedeelte van Stokershorst. Men besloot een verblijf voor bejaarde broeders te bouwen. De congregatie verkocht de boerderij en de grond aan boeren en aan Staatsbosbeheer. Na een aantal jaren besloot men ook het rusthuis voor het dalend aantal broeders te verkopen. De broeders vertrokken naar Voorhout. Uiteindelijk werd Stokershorst het eigendom van de Duitse industrieel Otto Schwabe. Aanvankelijk vonden Duitse moeders en vrouwen er een plek om enige tijd tot rust te komen. Tegenwoordig is Stokershorst onder leiding van het echtpaar Leder een christelijk bezinningscentrum.

 

Geraadpleegde boeken:

Van kamp naar kern                   Jan Verkennis                                                2002

 

Nederweerts verleden              Diverse auteurs                                            1989

 

Een veilige hoogte                     W. Mastenbroek en S. de Theije        2002

 

Zand erover                                    Cyriel le Coq                                                  2008