Stokershorst

Het Vincentiushuis op de Stokershorst.

De Broeders van de Congregatie van Onze Lieve Vrouw van Zeven Smarten kochten al in 1893 een aan de zuidzijde van de Noordervaart, op het grondgebied van de gemeente Nederweert, gelegen boerderij met 120 hectaren grond voor ƒ 7750,-. Broeder Simon van der Knaap maakte een plan voor de bouw van een kloostercomplex en broeder Benitius Homan nam de leiding van de bouw op zich.

Ruim een jaar liepen de broeders en jongens dagelijks vanaf Heibloem over onverharde paden naar Stokershorst om een vijftal broeders te helpen bij de bouw. Het hoofdgebouw kwam in april 1900 gereed. De bouwkosten bedroegen ƒ 30.000,-. Het gebouw werd ingewijd door Mgr. Callier, vicaris generaal van het bisdom Haarlem waartoe de congregatie behoorde Volgens de prospectus van het gesticht was het doel van het Vincentiushuis: Jongelingen wier opvoeding om de een of andere reden niet door de ouders kan worden waargenomen te vormen tot brave christenen en nuttige leden van de maatschappij 

Het was bedoeld als heropvoedingsgesticht voor jongens die met de rechter in aanraking waren geweest. Het Rijk betaalde jaarlijks voor iedere pupil ƒ 125,- aan de congregatie. In het eerste jaar waren er een twintigtal pupillen en in 1903 al zeventig. Daarvan volgden er een dertigtal lager onderwijs en de rest vakonderwijs. Als in 1901 door de Tweede Kamer de Kinderwetten van Cort van der Linden worden aangenomen krijgt Stokershorst in 1906 erkenning als officiële instelling. In 1905 werd een prachtige neogotische kapel gebouwd en in 1909 een aparte lagere school met drie leslokalen waar vanaf 1910 door lekenonderwijzers les werd gegeven. Die onderwijzers waren moeilijk te vinden omdat Stokershorst afgelegen en slecht bereikbaar was. Vanaf 1903 was er een veerpontje aan de weg Nederweert-Beringe. Aan de zuidzijde waren in die tijd geen verharde wegen naar Stokershorst. Het zou tot lang na de Tweede Wereldoorlog duren voordat er verharde wegen kwamen vanaf de Hollander en Heibloem.De kinderen van het gesticht waren verplicht de ”Regels voor de knapen van het Vincentiushuis” stipt op te volgen. Er waren disciplinaire straffen waarbij in geval van zware vergrijpen de daders een of meerdere dagen op water en brood moest leven.